4 Lineairisme en de beeldende kunst
4.1 De Romantiek
4.2 Het primitivisme
4.3 Het academisme
4.4 Het expressionisme
4.5 Het surrealisme
4.6 Minimal art
4.7 Op art
4.8 Conceptuele kunst
4.9 Postmodernisme
4.10 Outsider art
4.1 De Romantiek
Tijdens de Romantiek werd de mimetische (nabootsende) theorie vervangen naar een meer expressieve.
De verbeelding nam nu een belangrijkere drijfveer in. Bij de kunstenaars vond een verinnerlijking plaats.
Vanuit dat idee is mijn werk sterk beïnvloed en in die zin kent het een romantische connotatie want mijn onderwerpen zijn vanuit
dat idee ontstaan. In de Romantiek werd de basis gelegd voor het primitivisme. Immers in primitieve werken meenden romantici
een echtere en puurdere waarde waar te nemen dan bij de eigen cultuur. In hoeverre dit bij mij ook een rol speelde zien we in de
volgende paragraaf.
Het idee van het verhevene, het sublieme neemt in de Romantiek een grote plaats in. Het verhevene en sublieme komt tot uitdrukking
in dat wat groter is dan onszelf. Wat altijd het toonbeeld van het sublieme voor mij was, zijn de werken van Casper David Friedrich
(1774-1840), waarin de mens klein wordt in een onmetelijke natuur. In zijn werk relativeert het sublieme, het verhevene onze
menselijke superioriteit en brengt romantische waarden als gevoel, passie, irrationaliteit en subjectiviteit binnen handbereik.
Het sublieme komt in mijn werk vooral tot uiting in de autobiografische onderwerpen als hallucinaties tijdens een psychose.
De psychose is voor mij bij uitstek subliem. Er zijn weinig gebeurtenissen die de psychose kunnen evenaren. Tegenover de
psychose is degene die het ondergaat maar klein.
4.2 Het primitivisme
Het primitivisme kan verdeeld worden in twee oriënteringen. De eerste is er één van die enkel uitgaat van de vorm van kunstwerken van primitieve groeperingen
en deze vorm gebruikt in een nieuw kunstwerk. Kunstenaars uit het westen lieten zich inspireren door de formele kwaliteiten van
tribale kunst, bijvoorbeeld de kubisten. Een tweede oriëntering van primitivisme is er één die uitgaat van waarden die aan
primitieve groeperingen gegeven wordt. De kunstwerken van primitieve volkeren, vrouwen, kinderen, geesteszieken en hun makers werden
gewaardeerd om hun oorspronkelijkheid, hun originaliteit en zuiverheid. Vooral de expressionisten en de Cobra gingen uit
van de laatste oriëntering van primitivisme. Voor mij is mijn inspiratie op outsider art vooral voortgekomen uit een gevoel dat deze
sociale groeperingen buiten een westerse traditie staan waarin de gezonde, blanke man centraal staat. Of deze groeperingen
zuiverder en met meer waarheid en dichter bij de natuur staan, valt volgens mij nog maar te bezien. Maar dat ik vooral de werken van
outsiders kan waarderen om hun vorm en dit ook gebruik in mijn werk, plaatst mij toch binnnen de traditie van het primitivisme.
Veel toeschouwers trekken een gelijkenis met aboriginal art.
4.3 Het academisme
De term academisme wordt vaak gebruikt in verband met het aanleren van technische vaardigheden van een naar de realiteit getekend of geschilderd
of gebeeldhouwd onderwerp. Vooral Dubuffet gebruikte de term in negatieve zin van het schoolse niet creatieve na-apen van de officiële kunstenaars.
Maar de AKI waar ik aan studeerde was niet uit om leerlingen prototypen van hun leraren te maken. Er werd meer geleerd hoe
je je handelingen kon verantwoorden, wat voor effecten je handelingen op de toeschouwer hadden. Het technisch onderricht was slechts een onderdeel
van de leerweg. Er werd gekeken hoe je voorgangers bepaalde problemen opgelost hadden. Je moest jezelf neerzetten en kritiek verdragen.
De docenten Arno Kramer en Ernst Varkevisser, mijn begeleiders voor het eindexamen legden me niets op. Zij probeerden met de problemen die
ik tegenkwam mee te denken. Toch heb ik niet op de academie dat geleerd van wat ik uiteindelijk mezelf leerde en wat ik zag bij
de outsiders. Dat was vooral de verinnerlijking en het één worden met motieven van mezelf in plaats van de officiële kunstwereld.
Één van die motieven is dat ik niet de vaardigheid nastreef in de zin van realistisch schilderen of tekenen. Ik weet ook wel dat daarbinnen
veel handschriften bestaan, maar het is niet naar waar ik op zoek ben. Ik kijk liever naar een werkelijkheid die de rauwheid van
het leven in zich draagt.
4.4 Het expressionisme
In het expressionisme werd de rauwheid van het leven opgelost door een intense subjectiviteit. Het schilderen draaide niet om het nabootsen
maar om het zichtbaar maken van innerlijke ervaringen. In het expressionisme heerst een antinaturalistische tendens. Daarvoor gebruikte
zij intense kleurstellingen en een grovere toets. Dat zijn niet de middelen die ik gebruik. Voor mij ligt het belang van mijn werk
in een fysiele handeling, dat een waarneembare hypnotiserenede rust geeft. Deze rust komt ook tot uitdrukking in de gedrevenheid
van het zetten van de lijnen. Dit gelijkt veel op Wassily Kandinsky (1866-1944) zijn innerlijke noodzaak. Voor Kandinsky kon alleen een waarachtige
groei naar eeen hoger doel plaatsvinden wanneer hij zijn 'innere Notwendigkeit' volgde. (Manheim 1998, 57) Voor mij is de innerlijke
noodzaak de catharsis. Het is de innerlijke drang naar het loslaten van gewoonten en conventies om ze daarna in een nieuw evenwicht
op te bouwen. Mijn medium daarbij is het tekenen, het zetten van de lijnen. Wat misschien obsessief lijkt maar bevrijdend en rustgevend is.
4.5 Het surrealisme
De surrealisten gingen uit van onbewuste drijfveren bij het maken van een kunstwerk. Om de ware essentie van het zijn te open baren, pasten zij
'écriture automatique' toe. Dit was het ongecensureerd registreren van innerlijke roerselen in tekst en beeld. Hierbij was de verbeelding
vrij van al het rationele.
Ook al ontstond mijn tekenen uit de gedachteloze krabbel, het zetten van mijn lijnen verschilt van 'écriture automatique' want het
is niet een spontaan opborrelen van schrift, maar een bewust zijn van dit huidige moment; het zetten van de lijnen in een richting
die van tevoren bepaald is. Het is een zo zuiver mogelijk houden van die concentratie. Mijn tekenen is zeker niet het registreren
van het onbewuste, ook al gebruik ik psychotische beelden. Deze psychotische beelden zou ik liever niet onbewust noemen, maar
een verdraaiing van de realiteit, geen bovenrealiteit die meer waar is dan de triviale realiteit. De psychotische realiteit heeft
voor mij ondanks dat ze subliem is dezelfde waarde als onze alledaagsheid.
4.6 Minimal art
Op de kunstacademie kende de seriële en sobere uitvoeringen van minimal art al mijn fascinatie. De minimal kunstenaars wilden
het kunstwerk zo eenvoudig mogelijk houden. Kleuren werden vermeden, het draaide enkel om de vorm. Mijn monochromen kennen
dezelfde eenvoud als minimal art. Ook ik wil het kunstwerk zo zuiver mogelijk houden, dat wil zeggen, ontdoen van al het overtollige.
Voor mij moet het kunstwerk bestaan uit één intentie, en dat moet in het onderwerp (het autobiografische), de tekenstijl (het lineairisme) en
de filosofie (de meditatie) tot uitdrukking komen. Alle drie vinden hun oorsprong in mijn innerlijk. Het seriële van minimal art
gebruik ik wel doch in tegenstelling tot minimal art hanteer ik figuratie en een handschrift.
4.7 Op art
Bij op art draait het om de optische illusie. Door middel van kleur, vlak en lijnenspel werd de toeschouwer uitgenodigd zijn
of haar grenzen van de waarneming te ervaren. De kunstenaars waren uit op effecten. Veel van mijn werken kennen ook het duizelingwekkende
en visueel pijnlijke van op art. Maar op art ging uit van een strakke hand en rechte lijnvoering. Bij mij blijft ondanks de
optische efecten een handschrift waarneembaar. Ik ben niet op zoek naar die effecten maar ze ontstaan gewoon vanuit een organisch handelen.
Ook werk ik integenstelling tot de op art met figuratieve onderwerpen.
4.8 Conceptuele kunst
Een aantal toeschouwers noemen mijn kunstwerken conceptueel. Hoewel ik tijdens mijn studie cultuurwetenschappen recensies schreef
voor het tijdschrift NAT vanuit het concept van een denkbeeldige galerie, zou ik mijn huidige tekenen niet tot
conceptuele kunst willen rekenen. Want het blijft voor mij een evenwicht zoeken tussen vorm en idee, terwijl in de conceptuele
kunst het idee voorop staat. In de conceptuele kunst wordt het idee met niet-traditionele middelen vastgelegd. Voor mij zijn de traditionele
middelen zoals het tekenen bij uitstek het medium om me uit te drukken. Het is veeleer dat de vorm, het kunstwerk een concept uitdraagt
in plaats van dat het concept een vorm vastlegt. Bijvoorbeeld in de seriële evenwijdige lijnen bevindt zich een figuratie.
Deze vorm geeft het concept van het zoeken naar de figuratie. Het is niet dat ik wil dat de toeschouwer moet zoeken en daarbij
een vorm kies om de toeschouwer te leiden. Het is echter wel dat ik het concept de horror vacui gebruik waardoor er kan
ontstaan dat men naar de figuratie moet zoeken.
4.9 Het postmodernisme
Postmodernisten gebruiken de woorden 'echt' en 'puur' liever niet. Volgens hen is de kunstenaar een samenraapsel
van imitaties en kent geen eigenheid. Hij zoekt naar beelden uit de cultuur die in een nieuwe context geplaatst worden en daarin
geldig voor anderen zijn. Mijn werk is niet een imiteren van stijlen in de postmoderne zin al ontleen ik formele kenmerken
aan de outsider art. Ook zijn tijdens het postmodernisme begrippen als originaliteit en authenticiteit gerelativeerd. Het is
het einde van alle grote verhalen, die van het modernisme, die van de waarheid. Doch er bestaat nu een grotere machine dan ooit
tevoren, die van het kapitalisme. Het kapitalisme verslindt en creëert, onwillekeurig. Waarden worden niet erkend
en de postmodern kunstenaar speelt hier op in. Kitsch gaat met grof geld over de toonbank wanneer er de naam van een belangrijk
kunstenaar aan verbonden is. Het gaat mij niet om met het meedoen van het circus van het grote geld. De postmoderne kunstwerken
zijn vooral intelligibel. Hoewel het voor het verstand kenbare verleidelijk is om mee te spelen, gaat mijn werk meer uit van de
intuïtie.
4.10 Outsider art
Tijdens de periode van het postmodernisme kent de waardering van outsider art een explosieve groei, juist vanwege haar originaliteit.
Waarom? Misschien als tegenhanger. Ook ik behoor tot degene die de outsider art een warm hart toedragen. Niet omdat het ene meer
waar is dan de andere. Het was een kwestie van persoonlijke voorkeur, smaak. In outsider art herkende ik me meer dan in het postmodernisme.
Toch is mijn werk geen outsider art want ik reageer op de kunstgeschiedenis en voorgangers. Ik werk gedeeltelijk vanuit mijn opleidingen
doch ook gedeeltelijk vanuit mijn psychiatrisch verleden. Ik werk niet in anonimiteit en onafhankelijk van de officiële kunst.
Ik heb geen individueel wereldbeeld van waaruit ik handel. Zoals bij de outsider kunstenaar Johann Garber (1947) die ook vanuit een linearisme
werkt. Overeenkomsten tussen het werk van mij en de outsiders is niet toevallig doch ook weer niet kunstmatig gecreëerd. Ik
werk vanuit een bewustzijn dat dicht bij die van de outsider kunstenaar ligt. Mijn werken zijn reacties op iets wat ik in de outsider kunstwerken herken,
iets wat in mijn persoonlijke sfeer op zijn plaats valt door de intensiteit die uit de beelden spreekt toe te laten.